Het doopsel in de kerk sluit aan bij de opdracht die de verrezen Heer aan zijn leerlingen gaf: “Gaat en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. (Mt.28,19)
De doop is een belangrijke eerste stap als je je kinderen een christelijke opvoeding wilt geven. De kerk, als gemeenschap van gelovigen, kan je daarbij ondersteunen. In het doopsel wordt driemaal “ja” gezegd: een “ja” van God, een “ja” van de kerkgemeenschap en een “ja” van de dopeling (door de ouders). “Ja”, zegt God tot de mens in het doopsel, ”ja”, je bent iemand voor Mij. Je draagt een eigen naam. Je bent mijn kind. Ik wil je laten delen in mijn leven. Het “ja” van God blíjft “ja”: het doopsel geeft de dopeling een onuitwisbaar merkteken. God neemt zijn woord niet terug. Hij maakt ons voorgoed deelgenoot aan zijn leven. Voorgoed worden we aangenomen als kinderen van God.
Door je kind te laten dopen sta je er als ouder niet meer alleen voor. God draagt ook zorg en áltijd mag je bij Hem aankloppen en betrekken bij de opvoeding van je kind. Je mag weten dat God in haar/ hem aanwezig is en werkzaam is. Je kind wordt opgenomen in de gemeenschap en er opent zich een wereld waarin je kind God mag leren kennen.